Beginner level    Intermediate level    Advanced level
Cycle 1 Cycle 2 Cycle 3 Cycle 4 Cycle 5 Cycle 6
Main Lesson 1 Lesson 2 Lesson 3 Lesson 4 Lesson 5 Lesson 6 Lesson 7 Lesson 8 Lesson 9 Lesson 10 Lesson 11 Lesson 12 Lesson 13 Lesson 14 Lesson 15 Lesson 16 Lesson 17 Lesson 18 Lesson 19 Lesson 20 Lesson 21 Lesson 22 Lesson 23 Main
Practice Lesson 1A Lesson 2A Lesson 3A Lesson 4A Lesson 5A Lesson 6A Lesson 7A Lesson 8A Lesson 9A Lesson 10A Lesson 11A Lesson 12A Lesson 13A Lesson 14A Lesson 15A Lesson 16A Practice
Examples Vb. 1 Vb. 2 Vb. 3 Vb. 4 Vb. 5 Vb. 6 Vb. 7 Vb. 8 Vb. 9 Vb. 10 Vb. 11 Vb. 12 Vb. 13 Vb. 14 Vb. 15 Vb. 16 Examples
Quiz Quiz
Main page Introduction Pronunciation Vocabulary Index News

Beginner level: cycle 2

Lesson 5A ~ Lesson 5A

Werkwoorden ~ Verbs


A driving lesson
Present tense
Ordering drinks

Autorijles

edit

Mevrouw Steenstra neemt autorijles.

Instructeur: Goedemorgen, mevrouw Steenstra, hoe gaat het ermee?
Mvr. Steenstra: Prima hoor, dank u. Kan ik instappen?
Instructeur: Ja, gaat u maar naar de linkerkant. Maar alstublieft, pas op voor het verkeer!
Mvr. Steenstra: Dat doe ik wel.

Ze gaan allebei zitten in de lesauto.

Instructeur: Eerst moet u de spiegels controleren. Kunt u alles zien?
Mvr. Steenstra: O ja, dat moet eerst.
Instructeur: Zo, nu rijdt u naar dat stoplicht aan het eind van de straat en neemt u de linker rijbaan
Mvr. Steenstra: Moet ik daar linksaf?
Instructeur: Ja en daarna de tweede straat rechts.
Mvr. Steenstra: O, is dat de Eikenlaan?
Instructeur: Precies, dan rijdt u een tijdje rechtuit tot het volgende stoplicht, maar niet te hard.
Je mag daar maar vijftig kilometer per uur.
Mvr. Steenstra: Ze rijden daar allemaal veel harder.
Instructeur: Jawel, maar als u dat ook doet, zakt u voor uw examen.
Mvr. Steenstra: Dan doe ik het maar niet. Ik slaag liever.
 
Een
noicon
lesauto in Chili
 
noicon
Het stoplicht
Translation • Lesson 5A • Driving lessons
Mrs. Steenstra is taking driving lessons.
Instructor: Good morning, Mrs Steenstra, how are things going?
Mrs Steenstra: Fine, thanks. Can I get in?
Instructor: Yes, do go to the left side. But, please, watch out for traffic!
Mrs Steenstra: Will do.

They both sit down in the instructional vehicle.

Instructor: First you should check the mirrors. Can you see everything?
Mrs Steenstra:Oh, yes, I should do that first
Instructor: Well, now you drive to that traffic light at the end of the street and u take the left lane.
Mrs Steenstra: Should I turn left there?
Instructor: Yes and after that take the second street on your right.
Mrs Steenstra: Oh, that is Oak Lane?
Instructor: Exactly and then you go straight for a while until the next traffic light, but not too fast. You're only allowed 50 km/h there.
Mrs Steenstra: They all go much faster there.
Instructor: Well yes, but if you do that too, you'll flunk the exam.
Mrs Steenstra: Then I won't do it. I'd rather pass.

Notice that if speaking in generalities je can be used as an impersonal subject: je mag daar maar 50, even though the conversation uses 'u' otherwise.


Fill-in-the-blank 5A-1-F

edit

Put these words in the right sentence:

fuut, neemt, vertellen, boekhouding, prettig
woordenschat, tandenborstel, rechterhand, voorkomen, collega
  • Standish vindt de _____ aan de linkerkant
  • Hij wil mij niets _____ over dat nieuwe meisje
  • Jij _____ altijd melk en suiker in je thee.
  • Heb je al een grote ____?
  • In het water zag hij een eend en een ____.
  • Je moet ____ dat je te dik wordt.
  • Mevrouw Koopman was een ____ van mevrouw Nieman.
  • In een hotel heb je een ____ nodig.
  • Het hotel is in de tweede straat aan je ____.
  • ____ met u kennis te maken, mevrouw Nieman!

Present tense

edit
YOUR TURN - UW BEURT!! • Lesson 5A • Put in the correct form

Put the [verb] in the present tense and in the right place. Don't forget what you learned in Lesson 3 about inversion.

  1. hij de televisie niet aanzetten. [kunnen]
  2. u waar Jan is? [weten]
  3. de beide heren samen naar het werk. [rijden]
  4. waarom jij geen voebal? [spelen]
  5. zij altijd op zondag met haar ouders naar de kerk . [gaan]
  6. daarom we meestal geen tv. [kijken]
  7. ik een kopje thee? [mogen]
  8. de onderzoeker de opbrengst van de zonnecel [meten]
  9. jullie hier hartelijk welkom [zijn]
  10. zij 's morgens graag even haar krantje [lezen]
SOLUTION • Dutch/Lesson 5A • Put in the correct form
  1. Hij kan de televisie niet aanzetten.
  2. Weet u waar Jan is?
  3. De beide heren rijden samen naar het werk.
  4. Waarom speel jij geen voebal?
  5. Zij gaat altijd op zondag met haar ouders naar de kerk.
  6. Daarom kijken we meestal geen tv.
  7. Mag ik een kopje thee?
  8. De onderzoeker meet de opbrengst van de zonnecel.
  9. Jullie zijn hier hartelijk welkom
  10. Zij leest 's morgens graag even haar krantje.

Revisit the pronouns

edit

Remember the personal pronouns we saw in Lesson 1. Here is an exercise to put them into practice.

YOUR TURN - UW BEURT!! • Lesson 5A • Flip subject and object

In these sentences flip around the subject and the object, adjusting the verb form, e.g:

Ik zie hem --> Hij ziet mij.
Ik zie hen op school.
U geeft me een hand.
Ze kent jullie.
We komen ze tegen
Ziet hij je?
Ge ontmoet ons
U nodigt haar uit
Brengt hij je naar huis?
Hij geeft mij z'n motorfiets niet.
Heeft-ie je te pakken?
Wij verstaan haar niet
SOLUTION • Dutch/Lesson 5A • Flip subject and object
Ze zien mij op school.
'K geef u een hand.
Jullie kennen d'r.
Ze komen ons tegen
Zie je hem?
We ontmoeten u
Zij nodigt u uit
Breng jij 'm naar huis?
Ik geeft hem m'n motorfiets niet.
Heb je 'm te pakken?
Zij verstaan ons niet

Quiz

edit

1 Give the plural

boot -

2 Give the plural

akker -

3 Give the plural

vogel -

4 Give the plural

boezem -

5 Complete the translation

What do you mean? -- Wat

je?

6 Listen and translate

7 Give the plural

leeuw -

8 Give the plural

kanaal -

9 Listen and translate

10 Give the plural

sluis -

11 Complete the translation

It tastes wonderful -- Het

heerlijk.

12 Give the plural

piano -

13 Complete the translation

Check the mirrors! --

de spiegels.

14 Complete the translation

He studies in Rotterdam -- Hij

in Rotterdam.

15 Give the plural

trompet -

16 Complete the translation

She sells wool -- Zij

wol.

17 Complete the translation

We say good morning -- We

goedemorgen.

18 Complete the translation

Do you believe that? --

u dat?

19 Give the plural

trombone -

20 Complete the translation

It crawls down -- Het

naar beneden.

21 Select the correct translation

the towelthe silverpurplethe pigthe noblemanhorse
de handdoek
de edelman
het handdoek
het zilver
het varken
paars
de varken
paard


Vocabulary

edit

Visit the Drinks page and memorize the vocabulary related to drinks and ordering drinks, including the conversation.

Fill-in-the-blank 5A-2-F

edit
Zij had ____ besteld
Hij kwam terug met ____
Melk is een witte ____
Koffie is een ____ drank.
Mevrouw Steenstra wil aan de ____ van de auto instappen.
De instructeur zegt: Pas op voor het ____
Mevrouw Steenstra wil niet ____ voor haar examen.

Quizlet

edit

The vocabulary of this lesson, including the drinks page can be practiced at Quizlet (35 terms)

Progress made

edit

Cumulative count

Cycle 1: 579 terms
Cycle 2
L5: 25
L5A: 35
Grand total 639 terms