Last modified on 30 August 2011, at 16:51

Dutch/Lesson 10

Les 10 ~ Lesson 10

Meer over werkwoorden ~ More about verbs


<< Les 9 | Les 10 | Les 11 >>


Gesprek-10Edit

Jan, heb je het licht uitgedaan?
Nee schat, ik doe het straks wel uit, ik heb dat karweitje nog niet afgemaakt.
Maar Jan, dat levert zo weer een dikke stroomrekening op. Wanneer ga je het afmaken?
Ik moet alleen even naar de WC, dan ga ik weer naar beneden.
Als je het af hebt, ruim je dan ook even op?
Ja hoor, wees maar niet bezorgd, alles wordt keurig opgeruimd.
Translation • Lesson 10 • gesprek 10-1
Jan heb je het licht uitgedaan?
John, did you switch off the light?
Nee schat, ik doe het straks wel uit, ik heb dat karweitje nog niet afgemaakt.
No darling, I'll switch it off later, I have not finished fixing it yet.
Maar Jan, dat levert zo weer een dikke stroomrekening op. Wanneer ga je het afmaken?
But John, that will give us a hefty power bill again. When are you going to be done?
Ik moet alleen even naar de WC, dan ga ik weer naar beneden.
I just need to go to the bathroom, then I'll go downstairs again.
Als je het af hebt, ruim je dan ook even op?
Once you're done, do you clean up?
Ja hoor, wees maar niet bezorgd, alles wordt keurig opgeruimd.
Yes sure, don't worry, everything will be cleaned up.
YOUR TURN - UW BEURT!! • Lesson 10 • xx


(a)Zet het werkwoord in de o.t.t. (present) en op de juiste plaats. Let op: niet alle werkwoorden zijn scheidbaar!

Voorbeeld:
Ik mijn moeder.[opbellen]
Ik bel mijn moeder op.
1 Het niet altijd, maar toch we goed met hem. [meevallen - samenwerken]
2 Hij dat alles op onwaarheid berust. [volhouden]
3 Dit idee hem niet. [loslaten]
4 Het dat ze alles wat men haar. [opvallen - opeten - voorschotelen]
5 Als we deze weg nemen, we zeker vijf kilometer. [omlopen]
6 Mysteries de hele zaak. [omhullen]
7 Hoe vaak dit ? [voorkomen]
8 Dit dat men het voorstel [voorkomen/aannemen].
9´De boodschap niet goed. [overkomen]
10 Dit me geen tweede keer [overkomen]


(b) Zet het werkwoord in de o.v.t. (past) en op de juiste plaats.

Voorbeeld:
Ik mijn moeder.[opbellen]
Ik belde mijn moeder op.
1 Hij straat schuin [oversteken]
2 Zij unaniem het voorstel. [afkeuren]
3 Bij zijn aankomst op Schiphol hem de hele familie. [omhelzen]
4 Het schandaal de prins tot zijn dood.[achtervolgen]
5 We wat we zouden doen toen we dat probleem. [overleggen - aanpakken]
6 De terroristen verschillende gijzelaars.[onthoofden].
7 Ze op een barbaarse manier hun hoofden. [afhakken]
8 De vissers die tijdens de ramp op zee waren, de tsunami .[overleven]
9 Hij op 65 jarige leeftijd. [overlijden]
10 Ze haar vliegangst .[overwinnen]


(c) Zet het werkwoord in de v.t.t. (perfect) en op de juiste plaats.

Voorbeeld:
Ik mijn moeder.[opbellen]
Ik heb mijn moeder opgebeld.
1 Ze hun zaak aan hun oudste zoon.[overgeven]
2 Een man met een lichtgetinte huidskleur de winkelier. [overvallen]
3 jij veel ? [afvallen]
4 Hij geen enkel pijltje.[misgooien]
5 Ik het goede antwoord . [omcirkelen]
6 Ik de helft [overslaan]
7 Hij iedereen met kaarten.[verslaan]
8 Heel zijn leven hem ja-knikkers. [omgeven]
9 Na jarenlang tevergeefs vechten voor de goede zaak hij het uiteindelijk. [opgeven]
10 De auto een fietser [aanrijden]

(d) Zet het werkwoord in de juiste vorm en op de juiste plaats.

1 Hij stond op het punt de straat te. [oversteken]
2 Het werk dat is blijven liggen, moet en er valt heel wat te ! [inhalen - inhalen]
3 Loop maar vast vooruit, ik je wel . [inhalen]
4 Ik niet in waarom ik dat medicijn moet [inzien - innemen]
5 Masson werd vastgezet nadat hij geweigerd had financiële gegevens aan de Maastrichtse advocaat. [a overhandigen / b overleggen]
6 De moslima besloot te en haar hoofddoekje te. [ zich aanpassen - afdoen]
7 Ik heb het examen met goed gevolg. [afleggen]
8 Hij ... wat hem te doen stond. [overleggen]
9 Een monnik probeert Christus te in zijn eigen leven. [uitbeelden]
10 Ik ervoor dat ik het formulier juist heb [instaan - invullen]


SOLUTION • Dutch/Lesson 10 • xx

(a)1 Het valt niet altijd mee, maar toch werken we goed met hem samen.

2 Hij houdt vol dat alles op onwaarheid berust.
3 Dit idee laat hem niet los.
4 Het valt op dat ze alles opeet wat men haar voorschotelt. (in een bijzin staat het werkwoord achteraan en wordt het niet gescheiden)
5 Als we deze weg nemen, lopen we zeker vijf kilometer om.
6 Mysteries omhullen de hele zaak. (De klemtoon ligt op hullen, dus is het werkwoord omhúllen onscheidbaar)
7 Hoe vaak komt dit voor?
8 Dit voorkomt dat men het voorstel aanneemt.
Afhankelijk van de klemtoon zijn er twee werkwoorden voorkomen:
(1) scheidbaar : vóórkomen - kwam voor - is voorgekomen (happen)
(2) onscheidbaar : voorkómen - voorkwam - heeft voorkomen (prevent)
9 De boodschap komt niet goed over.
10 Dit overkomt me geen tweede keer.
Zelfde geval als bij 8 en 9:
Er zijn twee werkwoorden overkomen:
(1) scheidbaar: óverkomen - kwam over - is overgekomen (come across)
(2) onscheidbaar : overkómen - overkwam - is overkomen (happen to sb)

(b) 1 Hij stak straat schuin over.

2 Zij keurden het voorstel unaniem af.
3 Bij zijn aankomst op Schiphol omhelsde hem de hele familie. [omhelzen]
(de klemtoon ligt niet op het prefix, omhélzen is dus niet scheidbaar)
de ruwe stam is helz, Z staat niet in "'t fokschaap", dus vervoegen met -de
4 Het schandaal achtervolgde de prins tot zijn dood. (infinitief achtervólgen)
5 We overlegden wat we zouden doen toen we dat probleem aanpakten.
overleggen is een lastig werkwoord.
Afhankelijk van de klemtoon zijn er twee werkwoorden overleggen
(1)onscheidbaar : overléggen - overlegde - overlegd (debate, confer)
(2)scheidbaar : óverleggen - legde over - overgelegd ( hand over e.g. Ze legden onjuiste gegevens over)
áánpakken is weliswaar scheidbaar, maar hier in de bijzin staat het ongescheiden achteraan.
6 De terroristen onthoofdden verschillende gijzelaars.
het prefix ont- is nooit scheidbaar
7 Ze hakten op een barbaarse manier hun hoofden af.
8 De vissers die tijdens de ramp op zee waren, overleefden de tsunami.
overléven, dus onscheidbaar, ruwe stam leev, uitgang dus -de(n)
9 Hij overleed op 65 jarige leeftijd. (beklemtoonde lettergreep de stam líjd)
10 Ze overwon haar vliegangst .
klemtoom op de stam win: overwínnen - overwon - heeft overwonnen

(c) 1 Ze hebben hun zaak aan hun oudste zoon overgegeven.

2 Een man met een lichtgetinte huidskleur heeft de winkelier overvallen (de klemtoon ligt op de stam, overvállen is dus niet scheidbaar)
3 Ben jij veel afgevallen?
4 Hij heeft geen enkel pijltje misgegooid.
5 Ik heb het goede antwoord omcirkeld. (de klemtoon ligt niet op het prefix, omcírkelen is dus niet scheidbaar)
6 Ik heb de helft overgeslagen.
7 Hij heeft iedereen met kaarten verslagen. (het prefix ver- is altijd onbeklemtoond en dus onscheidbaar)
8 Heel zijn leven hebben hem ja-knikkers omgeven. (Het werkwoord is omgéven, dus niet scheidbaar)
9 Na jarenlang tevergeefs vechten voor de goede zaak heeft hij het uiteindelijk opgegeven.::
10 De auto heeft een fietser aangereden

(d)1 Hij stond op het punt de straat over te steken.

2 Het werk dat is blijven liggen, moet ingehaald worden en er valt heel wat in te halen !
3 Loop maar vast vooruit, ik haal je wel in.
4 Ik zie niet in waarom ik dat medicijn moet innemen/in moet nemen]
5 .... nadat hij geweigerd had financiële gegevens aan de Maastrichtse advocaat a te overhandigen / b over te leggen (zie opmerking bij b5)
6 De moslima besloot zich aan te passen en haar hoofddoekje af te doen.
7 Ik heb het examen met goed gevolg afgelegd.
8 Hij overlegde wat hem te doen stond.
9 Een monnik probeert Christus uit te beelden in zijn eigen leven.
10 Ik sta ervoor in dat ik het formulier juist heb ingevuld.


Grammatica 10-1 ~ Separable verbsEdit

A lot of verbs in English have fixed adverbial complements and a comparable association often holds in Dutch. Compare:

the bomb went off.
de bom ging af.
the light went on.
het licht ging aan.

In English one could consider to go off as the infinitive of a distinct verb. In Dutch the association is even stronger, because in some of the forms of such a verb, e.g. the infinitive, the adverb af is actually written as a prefix. This becomes clear in the future tense:

the bomb will go off.
de bom zal afgaan.

This means that there are two types of prefixes to a Dutch verb: inseparable ones (such as be-) and separable ones (like af-). The first kind we have seen before:

bedoelen - to mean
hij bedoelde
hij heeft bedoeld

The primitive tenses of a separable verb look like:

afgaan
het ging af
het is afgegaan.

Notice that the separable verb does take the ge- marker of the past participle whereas the inseparable ones do not.

There is another difference, at least in the spoken language: the accent of the word lies on the prefix if it is separable, i.e. one says áfgaan, but bedóélen.

Some prefixes can occur both separably and inseparably such as door- (through, by) and voor- (for,before) and in some cases there are two different verbs that look deceptively the same, one separable, the other not, with different meanings. In the spoken language they differ by wordaccent, but this is not visible in the written one unless accents are deliberately added to avoid confusion. Compare:

voorkomen - kwam voor - voorgekomen - to occur
voorkomen - voorkwam - voorkomen - to prevent
de kluut komt meer in Nederland voor dan in Engeland.
wij moeten er het verdwijnen van zien te voorkomen.
the Avocet is more numerous in the Netherlands than in England. (lit. ...occurs more in NL than...)
we have to prevent its disappearance.

Notice that just like in the case of the pronominal adverb ervan that translates its, the two parts of the separable verb can end up rather far apart in the sentence.

Another example:

een school doorlopen - to walk through a school building (takes 5 minutes)
een school doorlopen - to absolve one's education at a school (takes 5 years).

Relationship to the prepositional adverbsEdit

In fact the comparison between pronominal adverbs and separable verbs is rather pertinent. Many prepositional adverbs occur both as part of pronominal adverbs and of separable verbs:

meelopen met... => loop mee met ... (to march along with) (verbal separation)
met alles => overal mee (with everything) (pronominal replacement)
aanzitten aan ... (to partake in an official dinner party)
aan alles => overal aan (at everything) (pronominal replacement)

Thus, occasionally the same prepositional adverb appears twice at the end of the phrase:

hij liep overal mee mee. (he went along with anything at all)
hij zat overal aan aan. (he was a high level social tiger)

The latter should not be confused with:

hij zat overal aan. (he could not keep his hands off of anything)
zitten aan (to touch, to not being able to keep your hands off something.)

The comedian Toon Hermans exploited this oddity once to great effect in one of his One Man Shows.

SubclausesEdit

In a dependent subclause, e.g. a clause that starts with dat ("that") the separated forms of a separable verb reunite

ik doe het licht uit. - I switch the light off.
ik zeg "dat" ik het licht uitdoe. - I say "that" I switch off the light.

Notice also the peculiar position of the verb in the subclause: it moves to the end of the phrase in its entirety.

WoordenschatEdit

uitdoen - deed uit - uitgedaan   extinguish, switch off
opruimen - ruimde op - opgeruimd clean up
opleveren                        deliver produce
afmaken                          finish finialize
karweitje                        fixing job
stroom                           current, electricity
rekening                         bill
keurig                           neat, well groomed
bezorgd                          worried
straks                           in a moment
weer                             again
zo                               thus, so, before you know it
even                             quickly