Last modified on 30 April 2011, at 23:48

Dutch/Lesson 2A

back to lesson 2

Exercise 2A-1 InflectionEdit

As you have seen in lesson two, Dutch adjectives have two main forms, an uninflected one and an inflected one in -e. In the sentences below chose the right form.

  1. Deze auto is rood/rode. Het is een rood/rode auto.
  2. Dit huis is groot/grote. Ik heb een groot/grote huis.
  3. Is de weg erg lang/lange? Is het een lang/lange of een kort/korte?
  4. Is het huis mooi/mooie? Ja het is een prachtig/prachtige huis!
  5. Hij heeft een beter/betere manier gevonden.