Dutch/Lesson 5

Les 5 ~ Lesson 5


<< Les 4 | Les 5 | Les 6 >>


Gesprek 5-1Edit

Station Valkenburg

The beautiful train stationEdit

John is te voet op zoek naar het station en spreekt een voorbijganger aan.

Kunt u mij vertellen waar ik het station kan vinden?
Zeker, neem de derde straat aan uw rechterhand.
Als u de weg volgt, dan vindt u het station aan de linkerkant.
Het is een prachtig gebouw. U kunt het niet missen.
Ik vind het wel.

Hij volgt de weg en vindt zijn bestemming.

Dat gebouw ziet er inderdaad mooi uit.
Vind je ook niet?
Translation • Lesson 5 • het station

John is looking for the station on foot and addresses a passer by

Kunt u mij vertellen waar ik het station kan vinden.? - Can you tell me where I can find the (train) station?
Zeker, neem de derde straat aan uw rechterhand. - Certainly, take the third street on your right.
Als u de weg volgt, dan vindt u het station aan de linkerkant. - If you follow the road, you'll find the station on your/the left-hand side.
Het is een prachtig gebouw. U kunt het niet missen. - It is a beautiful building. You cannot miss it.
Ik vind het wel - I'll find it (don't worry)
Hij volgt de weg en vindt zijn bestemming - he follows the road and finds his destination.
Dat gebouw ziet er inderdaad mooi uit. - That building looks beautiful indeed.
Vind je ook niet? - Wouldn't you agree? (Lit: Don't you find that also?)
YOUR TURN - UW BEURT!! • Lesson 5 • waar of niet waar

Is dit waar of niet waar?

  1. Johns bestemming is de boekhouding
  2. De voorbijganger is een Engelsman
  3. Het gebouw is in de tweede straat rechts
  4. John mist zijn trein
  5. John rijdt op een motor
  6. Het stationsgebouw is inderdaad prachtig
SOLUTION • Dutch/Lesson 5 • waar of niet waar
  1. Johns bestemming is de boekhouding - niet waar: hij is op zoek naar het station
  2. De voorbijganger is een Engelsman - niet waar: hij spreekt Nederlands
  3. Het gebouw is in de tweede straat rechts - niet waar: de derde straat
  4. John mist zijn trein - niet waar
  5. John rijdt op een motor - niet waar: hij is te voet
  6. Het stationsgebouw is inderdaad prachtig - zeker, dit is waar

Grammatica 5-1 ~ Conjugation of verbs; the four moodsEdit

Dutch has a relatively simple system of verbs with four moods and eight tenses. The Dutch verb has a few more endings than the English one. We will focus on three forms:

  1. stem
  2. stem + -t
  3. stem + -en

Imperative moodEdit

The simplest form is the imperative mood. As in English it is simply the stem of the verb:

Neem! - take!

There is a (rather archaic) plural of the imperative, that takes an extra -t:

Neemt! - take (you all!).

Indicative mood in the present tenseEdit

By far the most important mood is the indicative one and its tenses. We will look at the present tense only here. The first person singular has the same form as the imperative:

neem! - take!
ik neem - I take

The third person (he/she) singular acquires a final -t in the present. In English it gets a -s instead:

ik volg - I follow
hij volgt - he follows

In contrast to English this also applies to the second person singular:

jij vindt - you find (informal)
U kunt - you can (formal, polite)

However, the -t ending is lost for the informal jij form, when the word order is reversed, e.g. when asking a question:

Vind je dat ook niet?

The Dutch verb has a 'plural' form that generally ends in -en, which is used for all plural persons and for the infinitive as well:

vertellen - to tell
wij nemen - we take
jullie volgen - you (all) follow
zij kunnen - they can

Notice that the vowel usually does not change and therefore we are doubling either consonants or vowels when we go from one syllable to two:

vertel - vertelt - vertelˑlen => single e remains [ɛ] in syllable closed by extra l.
loop - loopt - loˑpen => o remains [o], even in the closed syllable, as indicated by "oo".

Brief exerciseEdit

Choose the correct form of the verb, then hover you mouse over the verb to see the right answer.

jij (werken) ik (lopen) wij (lopen)
jullie (werken) u (graven) zij (kijken)
wij (volgen) ik (bereiken) (verkopen) ik?
(werken)!! (zitten) wij? (halen) jij
hij (verstoppen) het (waaien) wij (begrijpen)

Infinitive moodEdit

The plural form is also the infinitive of the verb:

wij maken - we make
maken - to make

It occasionally takes 'te' as in English 'to' but that is more exceptional in Dutch and not usually considered part of the infinitve:

dat is moeilijk te maken - that is hard to make

The infinitive can be used as a noun where English uses the gerund in -ing. It is always neuter in gender:

het vertellen van volkverhalen is een leuk tijdverdrijf.
the telling of folktales is a nice pastime.
het eten - the food, the meal
het eten is klaar! - dinner's ready!
het leven - life

There is a present participle, it ends in -end(e) rather than -ing. It is used mostly as an adjective:

de week die volgt → de volgende week
the week that follows → the following week
volgend jaar
next year

There are forms ending in -ing in Dutch but they are (feminine) nouns of action only loosely associated with the verb they derive from, e.g.

vertalen - to translate
de vertaling - the translation

We will revisit verbal nouns much more extensively in one of the later lessons.

Some verbs are monosyllabic, e.g.

zien - to see
ik zie - I see
hij ziet - he sees
zij zien - they see

Subjunctive moodEdit

The subjunctive mood is even rarer in Dutch than it is in English. It only exists in third person singular and (with few exceptions) present tense. It looks like the infinitive minus -n:

Men neme twee pond gehakt
lit. (May) one take two pounds of ground beef (minced meat)
Het zij zo - be it so

It is only mentioned here for the sake of completeness. It is only used in a few wishes and recipes.

Some irregular verbsEdit

Of course, there are a number of irregular verbs in Dutch, but often they are the same ones as in English. In English can and may do not take an -s in the third person. In Dutch a similar thing happens:

kunnen
ik kan - I can
jij kunt - you can
hij kan - he can (no t - no s)
mogen
ik mag - I may
jij mag - you may
hij mag - he may (no t - no s)

We will revisit irregulars later.

Exercise 5.1Edit

Read conversation 5.1 again and underline all verbs. Mark all endings as 0) - none 1) - t and 2) -en and identify in each case why this ending is used.

YOUR TURN - UW BEURT!! • Lesson 5 • Verb endings
  1. Kunt u mij vertellen waar ik het station kan vinden.?
  2. Zeker, neem de derde straat aan uw rechterhand.
  3. Als u de weg volgt, dan vindt u het station aan de linkerkant.
  4. Het is een prachtig gebouw. U kunt het niet missen.
  5. Ik vind het wel.
  6. Hij volgt de weg en vindt zijn bestemming
  7. Dat gebouw ziet er inderdaad mooi uit.
  8. Vind je ook niet?
SOLUTION • Dutch/Lesson 5 • Verb endings
  1. Kunt u mij vertellen waar ik het station kan vinden.?
  2. Zeker, neem de derde straat aan uw rechterhand.
  3. Als u de weg volgt, dan vindt u het station aan de linkerkant.
  4. Het is een prachtig gebouw. U kunt het niet missen.
  5. Ik vind het wel.
  6. Hij volgt de weg en vindt zijn bestemming
  7. Dat gebouw ziet er inderdaad mooi uit.
  8. Vind je ook niet?


  1. Kunt (2nd pers. formal.) vertellen (inf.) Kan0 (1st person) vinden (inf.)
  2. Neem 0 (imperative)
  3. volgt (2nd pers.) vindt (2nd pers.)
  4. is (3rd person irregular.) kunt (2nd person.) missen (infinitive.)
  5. vind 0 (1st person)
  6. volgt (3rd person) vindt (3rd person).
  7. ziet (3rd person)
  8. vind 0 (2nd pers informal reverse order).

Exercise 5.2Edit

Translate into Dutch:

YOUR TURN - UW BEURT!! • Lesson 5 • Translate into Dutch
  1. Take the train!
  2. Can you (fam.) tell folktales?
  3. The station is in the next street.
  4. We can follow the road.
  5. What is the street on the left called?
SOLUTION • Dutch/Lesson 5 • Translate into Dutch
  1. Take the train! - Neem de trein!
  2. Can you (inf.) tell folktales? - Kun je volksverhalen vertellen?
  3. The station is in the next street. - Het station is in de volgende straat.
  4. We can follow the road. - We kunnen de weg volgen.
  5. What is the street on the left called? - Hoe heet de straat aan de linker kant?
Notice the word order in 4: the infinitive is put at the end of the sentence.

Grammatica 5-2Edit

Clitics revisitedEdit

As shown before many personal pronouns have a strong and a weak form:

mij,me - me (object)
jij,je - you (subject)
jou,je - you (object)
wij,we - we
zij,ze - they or she
hen,ze - them

The weak forms me, je, we and ze are used when the emphasis lies on some other part of the sentence. The strong form expresses mild emphasis.

Hij ziet me in de spiegel - He sees me in the mirror (not on television).
Hij ziet mij in de spiegel - He sees me in the mirror (not my mother).

In the spoken language there are more weak forms than in the written one, e.g. for he (ie), him ('m) and for her (d'r or 'r)

Dat heeft-ie niet gedaan - He ain't done it
Hij heeft 'r geslagen - He beat 'r up
Ze hebben 'm gezien -- They spotted him

For possessive pronouns the same holds. Compare:

Mijn motor is een Honda. Wat is jouw motor? - My bike is a Honda. What is your bike?
Ik wil graag een ritje op je motor maken. - I'd love to ride y'r bike!
mijn, m'n - my
jouw, je - your
zijn, z'n - his
haar, (d'r)- her

Again the spoken language has a clearer distinction than the written one. The forms m'n, z'n, and especially d'r are often written as mijn, zijn and haar in formal writing. The form je is pretty much the only clitic possessive generally accepted in writing.

Woordenschat 5Edit

Dutch term Audio file English translation
de tafel About this sound tafel table
zeker About this sound zeker certain(ly), sure
inderdaad About this sound inderdaad indeed
vertellen About this sound vertellen to tell
missen About this sound missen to miss
volgen About this sound volgen to follow
zien About this sound zien to see
U kunt About this sound U About this sound kunt You can
de bestemming (f.) About this sound bestemming the destination
prachtig About this sound prachtig beautiful
mooi About this sound mooi fine, pretty, beautiful
het station About this sound station the train station
de kant (m.) About this sound kant the side
de weg (m.) About this sound weg the road
de spiegel (m.) About this sound spiegel the mirror
het gebouw About this sound gebouw the building
Last modified on 19 May 2011, at 21:57